Over broers in de Hieminga familie
Het onderstaande verhaal is opgetekend en netjes uitgetypt door Wiepke Hieminga in 1987, inclusief de portretten die netjes op de getypte en gekopieerde pagina's geplakt zijn. De foutjes zijn van mijn hand en opgedoken tijdens het omzetten naar digitaal formaat. De schuingedrukte toevoegingen zijn van mij, tevens heb ik meerdere foto's toegevoegd aan het verhaal. Origineel waren alleen de vier portretten (waar ook in de tekst naar verwezen wordt) en de foto in de tuin in Zevenaar bij het artikel geplakt. Hoe nauw de band is of kan zijn tussen 2 broers, vooral in hun jeugdjaren, zo snel verslappen die banden en verwateren die contacten tussen hun nazaten. Dit al na één of twee geslachten. Zo gaat het overal en zo gaat het ook in het geslacht Hieminga. Ik heb hier, al denkende, vier voorbeelden van voor ogen die ik tegenkwam bij het genealogisch onderzoek naar het geslacht Hieminga en die ik graag aan het papier toevertrouw voor ons nageslacht. Het eerste deel opgediept uit de archieven. Het laatste deel voor zover mijn herinnering reikt tot heden. Zeven generaties terug waren er twee broers in het geslacht Hieminga t.w. Claas Aukes (1732) en Jan Aukes (1734). Hun vader was Auke Taedes (Hieminga) van wie we de geboortedatum niet precies weten, maar die vermoedelijk geboren werd tussen 1700 en 1710. E.e.a. weten we uit de Quotisatiekohieren van 1749. In dat jaar is er een éénmalige belastingheffing geweest waarvan in de kohieren vermeld staan de namen, beroepen, het aantal gezinsleden boven en onder de 12 jaar en de welstand van de Friese bevolking alsmede het bedrag van de aanslag. Genealogisch een bron van onschatbare waarde. Auke Taedes staat hierin genoemd als "gemeen boer" (wat betekent dat hij zelfstandige was) terwijl het gezin bestond uit 3 personen boven de 12 jaar en één beneden de 12 jaar ofwel man vrouw en 2 kinderen, waarvan één beneden de 12 jaar. Auke Taedes woonde op een boerderij die eigendom was van de Ned. Herv. kerk in Wommels. Deze eigendom staat genoemd als de "Wommelser Pastorielanden". Dit is nog een overblijfsel uit de voorreformatorische tijd tot heden. De opbrengst van dit kerkelijk bezit diende (en dient heden ten dage nog) tot instandhouding van de pastorie en zijn bewoners. Zie ook het artikel van H. Algra in het Friesch Dagblad "Honderd jaar bevrijding Ned Herv.kerk in Friesland" waarin over de z.g.n. Pastorielanden gesproken wordt. Uit de doopboeken van Wommels weten we dat Claas en Jan gelijk gedoopt werden en wel op 23-5-1743 op een leeftijd van 11 en 9 jaar. Daaruit konden we de geboortejaren afleiden, n.l. 1732 en 1734. Volgens een onderzoek door het geneal. bureau Vleer uit Hardegarijp in 1956 verricht in opdracht van opa Hieminga-Schiedam zouden Auke Taedes en zijn vrouw vermoedelijk Doopsgezind zijn geweest. Zie familiealbum I no.7. Vandaar dat hun kinderen Claas en Jan gedoopt werden in 1743 toen het hele gezin tot de Ned. Hervormde kerk toetrad. Claas trouwt het eerst, n.l. in 1759. Daarna Jan in 1762. Hun beider namen staan vermeld in de trouwboeken van Wommels, evenals de namen van hun kinderen in de doopboeken. Fotokopieën hiervan zijn in mijn bezit. Uit de lidmatenregisters van de kerk van Wommels blijkt dat Claas en zijn gezin in 1772 naar Oosterend gingen. In 1811 neemt Claas de familienaam "de Boer" aan. In de naamsaannameregisters van Oosterend staat woordelijk dat Taede Clazes, mede gelastigd door zijn vader Claas Aukes (hij is dan 79 jr) de familienaam "de Boer" aanneemt en dat hij heeft 4 kinders: Grietje (10), Auke (8), Jelle (4) en Richtje één jaar.
Vermoedelijk is Jan voor 1811 overleden. Zijn overlijdensdatum werd niet gevonden. Zijn nakomelingen nemen echter de familienaam "Hieminga" aan. Over de onderlinge contacten tussen de beide broers weten we niets. We kunnen slechts vermoedens uitspreken. Ongetwijfeld zal de verhuizing van Claas naar Oosterend wel niet bijgedragen hebben tot een regelmatig contact. De afstand Wommels-Oosterend is altijd nog 6 k.m. of ruim vijf kwartier lopen. Andere vervoermiddelen waren er niet. Iedere boer had geen tilbury of glazen wagen. Het laatste vervoermiddel komt pas zo'n 50 jaar later in de mode. Telefoon en P.T.T. waren nog niet uitgevonden. Bovendien was schrijven bij de meesten niet hun sterkste kant in die tijd. Merkwaardig is dat de beide broers een verschillende familienaam aannemen. Dit is trouwens in Friesland meer voorgekomen. O.a. ook in het Vellinga-geslacht. 't Zou kunnen duiden op een mager familie-contact. De mogelijkheid dat neven en nichten dan nog contact zouden hebben moeten we niet te hoog aanslaan. Wiepke gaat wat verder op de naamsaanname in op deze pagina, in zijn artikel over Ulbe Hieminga. Met twee andere gebroeders Hieminga, nu vier geslachten terug, lag het even anders. Drie generaties kunnen we stellen op rond 75 jaar. In die 75 jaar was er heel wat gebeurd. Deze 2 broers waren Ulbe Hieminga, geboren 28-4-1850 en pake Wiepke Hieminga, geboren 26-10-1851. Hun foto's staan op het volgende blad (zie hieronder). Als hun vader Jan Ulbes Hieminga ( 1810-1870) overlijdt zijn ze resp. 20 en 19 jaar. Ulbe gaat dan in militaire dienst. Hij trouwt in 1878 in Wymbritseradeel met Aukje Abma en wordt boer in Abbega. In 1882 (hun beide oudste kinderen zijn dan 2 en 3 jaar) gaan ze naar Almenum. Daar worden de 3e en 4e spruit geboren. Na W.O.I gaan ze in Huizum wonen. Hun 4 kinderen zijn dan allang getrouwd, respectievelijk in 1905 (bij 3 tegelijk) en de 4e in 1911. Zie album: de nazaten van Ulbe Hieminga. Dat Ulbe gediend heeft weten we uit de trouw-acte van pake Wiepke. Daar staat in één van de bijlagen dat Wiepke vrijgesteld is wegens broederdienst. Pake Wiepke trouwt in 1876 met Mintje Vellinga. Had Ulbe het bedrijf van de voorouders voortgezet, pake Wiepke breekt met deze meer dan 200-jarige traditie en wordt timmerman-molenmaker. Aanvankelijk wonen ze in Spannum. Enkele jaren later in Winsum waar hun 2 jongens de lagere school bezoeken.
Hij komt dan midden in de kerkstrijd van 100 jaar geleden terecht wat resulteert in het feit dat hij op 1-6-1887 met 40 anderen wordt "ontzet" uit het lidmaatschap van de Ned. Herv. kerk van Winsum. Later in 1890, bouwt pake Wiepke mee aan de Geref. kerk van Winsum. De aanneemsom was f. 5.200. -- Als na een halfjaar het kerkgebouw gereed komt, is er tot dán f. 4.400.--betaald. Er restte nog een schuld van f. 800. --. Het geld was op en dientengevolge blijft het gebouw in de grondverf staan. Ook was er nog geen orgel. Deze gegevens heb ik ontleend aan een boekje, uitgegeven ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Geref. kerk van Winsum (1887-1987) Ook staat er in dat de bouw van de kerk werd opgedragen aan timmerbaas Nauta uit Hidaard en uitgevoerd door de timmerlieden W. Hieminga en M. Klaver. Voor mijn gevoel zal het wel een combinatie van 3 timmerlieden/aannemers geweest zijn. Dat gebeurde vroeger vaker op het platteland. Rijk is hij aan de kerkbouw niet geworden. Evenmin als aan het maken van de banken. Volgens mijn vader heeft het hem dik geld gekost. Een verhaal apart. In 1896 gaat pake Wiepke naar Huizum en in 1897 gaat, met uitzondering van oom Jan, het hele gezin naar Enschede. De textielindustrie is daar in opkomst, er werd veel gebouwd en daar was dus geld te verdienen. Rond 1903 gaan ze weer naar Huizum en in 1905 woont pake Wiepke aan de Gijsbert Japixstraat 27 in Leeuwarden, waar hij tot 1919 blijft wonen. De Gijsbert Japixstraat was toen, met de buurt daaromheen, in aanbouw. Oom Jan heeft nooit in Enschede gewoond. Hij was volgens het Bevolkings Register van Hennaarderadeel bij oom Klaas en tante Tine in huis. Als beppe Mintje in 1916 overleden is, zal pake Wiepke heus wel eens bij zijn broer Ulbe geweest zijn. Hij fietste graag en de afstand Leeuwarden/Almenum was best te doen. Bovendien was het oorlog (1914-1918) en alles was schaars en op de bon. Op de boerderij in Almenum zal het wel beter geweest zijn als in Leeuwarden. Toen Ulbe later in Huizum woonde zullen de bezoeken wel frequenter geweest zijn. Naar mijn vader mij wel eens verteld heeft was de verstandhouding tussen de beide broers goed. Ze waren geestelijk ook gelijkdenkend en aanhangers van de Doleantie. Ook zullen Ulbe en Aukje wel tot de klantenkring van pake Wiepke behoord hebben evenals zijn zuster Tine en nicht Tine Hellema. Pake Wiepke had aan de Gijsbert Japixstraat achterhuis een timmermanswerkplaats. Aan de voorkant was een kruidenierswinkeltje. Aanvankelijk was dat de liefhebberij van beppe Mintje (de handel zat de Vellinga's in het bloed) maar na haar overlijden in 1916 hield pake dit aan. Alhoewel hij in 1919 f. 3.-- ouderdomsrente per week kreeg, leefde hij toch op de rand van het bestaanminimum.
De Hieminga's en hun voorgeslacht waren sinds 1620 (verder was niet na te gaan) veeboeren. Ulbe zijn enigste zoon Jan (1880) die in Harlingen aan de Midlummerstraatweg woonde was de laatste agrariër. Beide broers (Ulbe en Wiepke) zijn in 1929 drie maanden na elkaar overleden. De volgende 2 broers die ik op het oog heb zijn maar één generatie van mij af. Dat zijn Jan en Bouwe Hieminga, de enigste 2 kinderen van pake Wiepke en beppe Mintje. Oom Jan was van 1879 en mijn vader van 1881. Twee heel uiteenlopende figuren. In alle opzichten. Oom Jan werd onderwijzer en mijn vader timmerman. Oom Jan stond eerst in Sassenheim, later in Harlingen en vanaf 1913 was hij hoofd van de Chr. school in De Knipe bij Heerenveen waar hij bleef tot zijn pensioen. Vermeldenswaard is dat oom Jan van de lichting 1899 was en in 1914 als de oudste lichting gemobiliseerd werd. Zijn mobilisatiebestemming was Amsterdam. Alhoewel ik toen nog maar 3 ½ jaar was kan ik mij nog heel goed herinneren dat hij 's avonds weleens bij ons thuis kwam. Hij droeg een blauw uniform en een sjako (een kepi met 2 kleppen). Oom Jan had donkerbruine ogen en een grote zwarte snor en ik vond hem toen maar een angstaanjagende figuur. Lang heeft zijn verblijf in mil dienst niet geduurd omdat hij in De Knipe niet gemist kon worden. Naar Bouwe, zijn zoon uit Drachten, mij onlangs nog eens vertelde was zijn taak in mil. dienst het geven van onderwijs aan soldaten die analfabeet waren. Vader Bouwe was op latere leeftijd uitvoerder bij grote aannemingsbedrijven en op het einde van zijn leven (tot zijn 75e jaar toe) deed hij in vastgoedadministratie en makelaardij. Jan trouwde in 1906 en Bouwe in 1910. Jan trouwde met een Friezin. Bouwe, na een jolige vrijgezellentijd, met een Brabantse.
De auteur van dit stuk heeft dus gemengd bloed in zijn aderen. Oom Jan had een groot gezin met zijn acht kinderen. Bij ons waren er maar vier en wij scheelden allemaal 5 jaar met elkaar. Oom Jan was een peadagoog bij uitnemendheid en een zeer meelevend lid van de Geref. kerk. De Knipe was vaak vacant en dan las oom Jan elke zondag 2 preken. En hoe? De mensen hoorden hem liever dan een domineé. Oom Jan kon ook "getuigen". Hij sprak gemakkelijk en open over geestelijke zaken. Vader niet! Een geestelijk gesprek met hem voeren was niet gemakkelijk, zo niet onmogelijk. Vader was dooplid van de Herv. kerk en deed belijdenis in de Geref. kerk toen ik een jongen van 18 jaar was. Dit op aandringen van de wijkouderlingen die stelden dat de eenheid in het gezin er mee gediend was, wat m.i. een juiste opvatting was én is. Als kleine jongen ging ik altijd alleen met vader naar de kerk. Mijn zuster die op mij volgde is 5 ½ jaar jonger. Er is geen kerk in Amsterdam of ik ben er in geweest. Oud of nieuw, Hervormd of Geref, Luthers of Chr. Geref, zelfs bezochten wij wel de samenkomsten van het Leger des Heils. Elke zondag soms uren lopen, maar het grootste feest was dan dat we met de tram naar huis gingen. Dit vaak tot ongenoegen van moeder die t.a.v. het punt zondagsheiliging een nogal uitgesproken standpunt innam. Vader niet! Die was zeer ruim van opvatting. Er was tussen de broers een regelmatige correspondentie. Bezoeken zo om de 4 of 5 jaar. Amsterdam/De Knipe was een hele reis. Met de Lemmernachtboot en verder met de stoomtram. Bovendien hadden ze beiden hun gezinnen en daar kwam dan nog iets bij. Vakantie was in het onderwijs de gewoonste zaak. In de bouw- en aannemerswereld kende men geen vakantie. Voor deze sector kwam de vakantie in 1930. Drie dagen per jaar met 1 dag oplopend per jaar tot een week. Dit kwam pas na de beruchte loodgietersstaking in 1929 die 30 weken duurde. Telefoon was er wel in die jaren maar het was toen nog geen gemeengoed zoals nu. Elkaar eens even bellen was er dus niet bij. Op de dag dat oom Jan 40 jaar bij het onderwijs was overleed tante Klaaske, zijn vrouw. Bijzonder tragisch. Oom Jan verhuist later naar Steenwijk waar ik hem nog weleens heb bezocht. Vader en moeder woonden toen al geruime tijd in Schiedam. Dat was toen te ver uit elkaar om regelmatige persoonlijke contacten te onderhouden.
Vader had een koppige natuur. Oom Jan was veel buigzamer. Twee dingen hadden de broers gemeen. Ze hadden beiden een prachtig handschrift zie fotokopieën als bijlagen bij dit stuk) en ze konden bijzonder goed zingen. Vooral vader was een goeie tenor. Hij was bij verschillende mannenkoren, zowel in Amsterdam, Den Haag als in Schiedam. Oom Jan is 70 jaar geworden en vader 84 jaar. Hun beider foto's op blad 7 werden gemaakt in 1903. Ze waren toen resp. 24 en 22 jaar. Dan zijn er nog twee broers van het geslacht Hieminga en die leven beiden nog. Dat zijn Jan Hieminga (1920) en Wiepke Hieminga (1911) De verstandhouding tussen de beide broers is bijzonder goed. In onze jeugd hebben wij niet zoveel aan elkaar gehad gezien het leeftijdsverschil van 9 jaar. Ik had de lagere school allang achter de rug toen Jan er pas heen ging en toen ik trouwde was Jan 14 jaar. Bovendien gingen mijn ouders van Amsterdam naar Den Haag in 1932, terwijl ik in Amsterdam bleef wonen. Aan het eind van W.W. II dook Jan onder en zelf moest ik op elke hoek van de straat uitkijken of er geen Grüne Polizei aankwam ondanks het feit dat ik goede papieren op zak had. Daar zorgde de Nederlanden van 1845 wel voor. We zaten beiden in de gevaarlijke leeftijd. Na de oorlog was er weer een regelmatig (normaal) contact. Jan, inmiddels getrouwd, woonde in Schiedam. Wij woonden in Amsterdam en vanaf 1947 in Arnhem. We hadden beiden telefoon en belden elkaar regelmatig. Op een avond belde Jan en vroeg: Ben je thuis vanavond? Ik zei: ja! Dan komen we straks even langs. Hij kwam me toen vertellen dat ze op korte termijn gingen immigreren naar de U.S.A. Ik schrok ervan en vind het heden ten dage nog jammer dat we zover van elkaar wonen. Over de achtergrond van die immigratie wil ik maar niet praten. In 2016 zijn Jan Hieminga en zijn vrouw door het United States Holocaust Memorial Museum geïnterviewd voor een oral history project van het museum. In deze uitgebreide video vertelt hij over zijn jeugd, de oorlog en ook de emigratie naar de USA (het interview met zijn vrouw staat hier). In zijn relaas geeft hij aan dat de emigratie zijn keuze was omdat hij afstand wilde nemen van zijn vader. Ik kan begrijpen dat zijn broer hier toen een mening over had. Het is natuurlijk heel anders dan 200 jaar terug toen Claas en Jan Aukes nog leefden. Toen was er geen telefoon, geen radio, geen t.v., er reden geen auto's, er reden geen treinen en bussen en er waren geen vliegtuigen en dus ook geen luchtpost, enz, enz, enz. Wij brachten twee maal een bezoek aan de U.S.A. De eerste keer toen we 35 jaar getrouwd waren. Een cadeau van de kinderen! De 2e keer toen Jan zijn dochter Ellen trouwde in 1975. Jan zijn vrouw Jac, eventueel met kinderen en/of kleinkinderen zijn al veel vaker in Nederland op bezoek geweest, al of niet gedwongen door familieomstandigheden. Voor de eerste keer echter in 1967 na het overlijden van vader. Wij gingen beiden dezelfde bouwkundige richting uit. Eerst timmeren met veel (heel veel) avondstudie, waarbij gezegd moet worden dat Jan veel en veel meer kunstzinnige aanleg heeft dan ondergetekende. Hij werd interieurarchitect en had een eigen bedrijf voor het ontwerpen en vervaardigen van kerkinterieurs en de restauratie van antieke meubelen. Zelf ging ik op de commerciële tour als boukwundige in de brandverzekeringsbranche en eindigde daarin op 65-jarige leeftijd als bouwk. schade-expert voor vastgoed. Jan is een zeer actief-en meelevend lid van de Vrije Noorse kerk in de U.S.A. waarbij vooral de nadruk gelegd moet worden op het woordje "vrije". Dit in tegenstelling tot Noorwegen waar alles door de staat geregeld en gedicteerd wordt. Hun doen en laten als kerk en hun samenhang als gemeente doet mij denken aan de Pinkstergemeente bij ons in Nederland. Zelf behoor ik nog steeds tot de Geref. kerk waarin ik ben gedoopt en belijdenis heb gedaan. We zijn er in getrouwd en al onze kinderen zijn er in gedoopt en hebben er belijdenis in gedaan. Er verandert veel. Soms voor mij met vraagtekens alhoewel ik "Samen op weg" van harte toejuich. Mijn rechtzinnige inslag heb ik behouden en naar ik uit genealogisch onderzoek vast heb mogen stellen is dit ook de weg van onze voorouders geweest.
We weten dat er in de periode van ruim 250 jaar waarover we hier spreken (1732-1986) geweldig veel veranderd is t.a.v. vervoer, communicatie, enz. enz. enz. Dan kijken we maar om ons heen. Ook genealogisch onderzoek is een goede tijdmeter. Maar geestelijk is er in de kern der zaak niets veranderd al wordt het door alle kerken niet zo beleefd. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid (Hebreeën 13: 8). Het lied mij op de kleuterschool geleerd in 1915 en wat mij altijd is bijgebleven, is mij in mijn levensavond dan ook steeds tot steun en troost. Het is gezang 22 uit de oude Herv. bundel.
Evenzo het lied van Ds. J.H. Gunning, mij ook als kind op school geleerd.
Met het schrijven van dit verhaal heb ik eind 1986 een begin gemaakt. Nu na het overlijden van mijn vrouw, kreeg ik de tijd om dit stuk af te maken. Mijn genealogisch onderzoek gaat nog steeds door. De grote lijnen zijn bekend en ik verdiep me nu in details, waarvan dit stuk er één is. Zevenaar, ultimo december 1987
Ons gezin ging in 1932 uit elkaar. Ik bleef alleen in Amsterdam en was in de kost bij de fam. Pegman, van Kinsbergenstraat 62, Amsterdam. Vader en moeder woonden v.a. 1932 aan de Spireastraat 86 in Den Haag. Dit getuige een brief aan mij van 29-9-1932. Beide kanten van de enveloppe zijn gefotocopieerd. Beide broers hadden een prachtig handschrift.
|
||||||||||||