Waling's verhaal over de families Hieminga en Veldstra
Toen ik jaren geleden begon met puzzelen over de stamboom van de familie Hieminga heb ik Waling ooit eens gevraagd of hij niet de verhalen op papier kon zetten, dan zou ik de stamboom verder wel invullen en de rest er omheen bouwen. Waling heeft uiteindelijk een aantal e-mails rondgestuurd met de resultaten van zijn uitzoekwerk er in. Deze vond ik ook als documenten op zijn computer. Doordat ik intussen een hoop foto's heb verzameld kan ik nu deze verhalen op een rijtje zetten en hier de foto's en relevante informatie aan toevoegen. Het verhaal hieronder is dus vooral van Waling (hier en daar aan elkaar geknoopt en met schuingedrukte toevoegingen van mij) aangevuld met diverse foto's uit de oude doos (letterlijk.... een hoop hiervan zaten in een oude schoenendoos). Het verhaal zwalkt nog al wat heen en weer doordat ik meerdere stukken aan elkaar heb geplakt, en het is een aardige lap tekst geworden maar hierdoor kan ik ook een hoop foto's delen en deze een plekje in dit stukje familiegeschiedenis bieden. Ik heb een jaartje geleden informatie opgevraagd over onze ouders bij de gemeente Den Haag (dat was in 2019). Ik was vooral benieuwd naar wanneer ze in Scheveningen zijn gaan wonen en daarna naar de Doornstraat zijn verhuisd. Ik heb de persoonsgegevens van vader en moeder ontvangen, vooral de inschrijfdata op de diverse woonadressen. Ik zet ze hier op een rijtje, met mijn ideeën hierbij.
Veel dingen zullen wel bekend zijn maar misschien niet alles. Over Vader: Bouwe Hieminga, geboren woensdag 29 juli 1914, 01.30 uur te Bovenknijpe, Heerenveen. Zoon van Jan Hieminga, geboren 3 augustus 1879 om 13.00 uur in Spannum, Henneradeel, “Hoofd der school”, en Klaaske van der Laan, geboren 25 juli 1881 in Heerenveen, Schoterland zonder beroep, “bij hem inwonend”. Het verhaal gaat dat haar vader, slager in Heerenveen, het te druk had om zijn dochter tijdig aan te geven en haar daarom een dag later heeft aangegeven: 25 i.p.v. 24 juli. Zie hier voor meer over Jan Hieminga, zijn gezin en de school in De Knipe.
Vader is op 1 juli 1934 ingeschreven op het adres Benedenknijpe 71 (Dit was de woning naast de school die door Jan Hieminga mede was opgericht, deze woning bestaat nog steeds. Op Google maps is deze te vinden op Meijerweg 123.) Hij heeft nog een blauwe maandag voor de klas gestaan in Knijpe (Nederlandse naam, in het Fries “De Knipe”). Hij is op een klassenfoto nog te zien. Overigens wordt er verschil gemaakt tussen Boven- en Benedenknijpe. Ik heb de indruk dat de brug naar Oranjewoud over de Schoterlandse Compagnonsvaart de scheiding vormt. Langs die vaart liep ook een tramspoor. Klopt aardig, er is een 'knip' in Boven- en Benedenknijpe en deze zit tussen Meijerweg 185 en Dominee Veenweg 1. Er ligt hier een praam naast de vaart.Wat nog wel vreemd is, is dat de geboorteplaats van Bouwe soms als Bovenknijpe vermeld is en niet Benedenknijpe.
Vader en moeder trouwden op 27 december 1940 in Haskerland, volgens mij in Langweer. Op 9 januari 1941 wordt vader ingeschreven op het adres Radesingel 1 te Groningen. Op de geboorteaktes van Jan, Tineke en Jetze wordt dit adres vermeld en als beroep opgegeven: “Houder van een woningbureau”. Op de akte van Klaske 1946 wordt als beroep aangegeven: “Controleur”. Bij vader staat daar nog “Provinciaal” voor. Ik ontdekte dat vaders functie als “Provinciaal Controleur” inhield het controleren van financiële steun aan oorlogsslachtoffers na de bevrijding. Dat begon 1 oktober 1945, maar zal niet lang hebben geduurd want ik denk dat hij eind 1946 al in Den Haag werkte. Van Martha Baarda hoorde ik dat haar vader al op 23 mei 1941 bij het ministerie in Den Haag terecht kwam. Hij woonde toen in de Willem Beukelszoonstraat. Op 23 juni 1942 kwam ook tante Lize naar Den Haag. Op 28 februari 1943 moesten ze evacueren vanwege de bouw van de “Atlantikwal” door de Duitsers. Ze hebben ook nog in de Kepplerstraat gewoond voordat ze in de Jacob Pronkstraat terecht kwamen. Of vader bij hen heeft ingewoond is niet bekend.
Op mijn geboorteakte uit 1947 staat hij omschreven als: “Arbeidscontractant bij het Ministerie van Oorlog”. Bij Paul, 1950, staat hij vermeld als “Adjunct commies bij het M. v. O. “ Tenslotte bij Jittie en Marbo staat eenvoudig: “Rijksambtenaar”. Op 3 september 1941 wordt nog vermeld: PB032126 (PB zou staan voor persoonsbewijs. Zie hieronder voor dit document.). Andere gegevens over de oorlogsjaren en daarna ontbreken. Vader heeft, vermoedelijk met behulp van de vrienden Baarda en/of Jellema een baantje kunnen krijgen bij het “Ministerie van Oorlog” en heeft mogelijk bij een van hen op kamers verbleven. Inschrijvingen in de burgerlijke stand in die tijd zijn er niet.
Op 28 april 1947 wordt het gezin ingeschreven op het adres Jurriaan Kokstraat 64. Dat is een maandag dus ik verwacht dat de zaterdag ervoor verhuisd is, waarschijnlijk met behulp van het transportbedrijf van oom Bonne Veldstra. Voor Moeder is dit volgens mij heel moeilijk geweest. Hoe groot het huis in Groningen was weet ik niet (Jan vertelt over een trap en een lange gang waar hij op zijn fietsje door reed) maar in elk geval meer dan in Scheveningen. Voor- en achterkamer, keukentje, toilet, één slaapkamer en een piepklein zijkamertje aan de straatkant. Plus een driehoekje tuin wat we de woestijn noemden, want op het duinzand groeide er nauwelijks iets. Bovendien woonde “Tante Oma” (Trijn de Vries, zus van Beppe) in Groningen in bij moeder waar ze hulp en steun aan had, iets wat ze hier moest missen. Dat Moeder een jaar of zo later overspannen is geraakt en een tijd op de boerderij heeft verbleven illustreert dit wel. Een nicht van Moeder heeft toen voor ons gezorgd. Er is een foto waarop ze met ons op het strand zit. Samen met Vader heb ik haar ooit bezocht in Waskemeer en herkende haar nog helemaal.
Ik werd hier geboren, gevolgd door Paul en later nog Jittie. Toen was het huisje echt overvol. Jittie stond letterlijk op de gekste plaatsen geparkeerd, soms in de tuin, soms op het aanrecht omdat er geen plek was. Dat heeft toch nog bijna een jaar geduurd. Eindelijk konden we toen verhuizen naar de Doornstraat 132, inschrijving op 9 december 1952, een dinsdag, dus verhuisd op maandag, want ik moest na de kleuterschool in het Gondelstraatje wachten tot Jan me kwam ophalen. Dat was ik natuurlijk vergeten, dus toen ik aan de brievenbus klepperde deed een vreemde meneer open, die met me is meegelopen tot we Jan tegenkwamen. Kort daarna, februari 1953, vond de watersnoodramp in Zeeland plaats en ik herinner me met vader naar de boulevard te zijn gelopen waar zandzakken lagen om de Keizerstraat droog te houden Overigens heeft 1947 decennialang het record gehad van de heetste zomer, en moeder zat soms ’s avonds nog laat met haar dikke buik in een kuil op het strand voor wat koelte. Dan huilde ze wel eens, wanhopig wachtend op de geboorte van haar kind. Ik was blijkbaar laat.. Volgens het KNMI was het bij mijn geboorte ruim 30 graden en de nacht erna zou Vader voornamelijk in de tuin hebben gezeten. Ik was dus bijna een verjaardagscadeau voor hem, en om allerlei redenen heeft hij mij toen een heel bijzondere naam gegeven. Als enige niet vernoemd naar familie, als eerste met een dubbele naam. Was dat puur blijheid, zijn gezin weer bij zich, een derde zoon, en wilde hij misschien een Fries “statement” maken in Scheveningen? Hij heeft er nooit iets over verteld. De naam Waling was in Friesland heel bekend, vooral van Waling Dijkstra, een bekend schrijver / dichter. Ook in het Westland ben ik hem wel tegengekomen, maar ik ben nooit in mijn leven een andere Waling tegengekomen. Volgens het woordenboek betekent Waling “weifeling”, het getij “waalt” of kentert, stroomt in en uit. Tjerk betekent, net als Diederik, “sterke leider”. Beide kanten herken ik wel maar toch heb ik nooit de neiging gehad om me Tjerk te noemen. Nog iets: een helderziende heeft me ooit verteld dat ik in eerste aanleg een tweelingbroertje had, die het niet heeft gered in de baarmoeder. Ook zou ik geboren zijn “met de helm”. Of de dokter of vroedvrouw die mij heeft “gehaald” daar iets van heeft gemerkt? Er is nooit iets over gezegd.
Tenslotte is vader op 4 oktober 1978 ingeschreven in Drachten, S.H. de Rooshof 31. In diverse agenda’s hield Vader dagelijks bij hoe het weer was. Een agenda uit 1977, het jaar voordat ze naar Drachten verhuisden, staat helemaal vol met Friese woorden, uitdrukkingen en lezenswaardige boeken, blijkbaar ter voorbereiding op het leven in Friesland. Eigenlijk wilde Vader daar niet heen, liever ergens in het midden van het land vanwege de kinderen, maar daar was geen betaalbare woning te vinden, in Drachten wel. Op 22 september 1987 verhuisden ze naar Dwarswijk 59 en op 28 augustus 1990 naar Dollard 91, waarna hij is overleden in het ziekenhuis “Nij Smellinge” op 6 augustus 1993 net na zijn 79e verjaardag. Tot zover (voorlopig) Vader, dan over Moeder. Geertje Veldstra, geboren op vrijdag 29 augustus 1913 om 10.30 uur in Oldetrijne, Weststellingerwerf. Dochter van Jetze Veldstra, geboren 10 juli 1886 om 03.00 uur in Haskerhorne, veehouder. En Jitske de Vries, geboren 1 augustus 1888 om 04.00 te Rotsterhaule.
Gegevens van vóór haar huwelijk heb ik niet. Haar adres voor haar huwelijk was: Sint Johannesga 35, bij Tante Oma, die daar toen onderwijzeres was aan de Bijzondere Lagere school aldaar, sinds 1922. (Blijkbaar waren deze dorpjes zo klein dat straatnamen niet aan de orde waren.) Van dat huisje is er nog een foto, en ook één met moeder ervoor met twee anderen.
Ik meen wel eens te hebben gehoord dat ze al jong, toen ze twaalf jaar oud was volgens Marbo (ze was bepaald geen boerderijtype, bang van koeien), naar een tante (Anna, een, schat ik, oudere, ongetrouwde zus van Beppe Jitsche?) werd gestuurd om in de huishouding te helpen. Tante Anna “had een snor” en Moeder was bang van haar. Ze was vooral heel streng, aldus Marbo. Volgens Paul woonde ze aan een kade in Heerenveen, en er is een foto waarvan ik vermoed dat die van Moeder en Tante Anna is. Haar band met Tante Oma was sterk volgens mij en ze zal blij geweest zijn daar te kunnen gaan wonen in St.Johannesga waar ze o.a. naailessen gaf aan plattelandsvrouwen. Ze schijnt een opleiding voor coupeuse te hebben gevolgd. Ook in Scheveningen werd er zo nu en dan, samen met Tante Sjouk, naaiwerk gedaan, waarvoor veel aan de kant moest. Als het haar tante Antje (Anna) de Vries was waar ze ging helpen, dan was deze niet ongetrouwd. Zij was gehuwd met Hendrik of Hindrik Telgenhof en had twee kinderen. Zij is ook zwanger geweest van een drieling, die helaas de geboorte niet lijken te hebben overleefd. De twee meisjes en een jongen zijn op 13 of 14 mei 1920 geboren en overleden.
Na vaders overlijden is ze later verhuisd, omdat ze de tuin niet meer kon bijhouden, naar een flat in de Dwarswijk 308 te Drachten. Inschrijving 19 november 1996 en later naar het Servotel, inschrijving 13 mei 2003. Op 25 januari 2004 is ze daar overleden, zoals bekend. Het huis in de Dollard werd vóór V&M bewoond door een timmerman die het van onder tot boven had vol gespijkerd met schrootjes, nepplafonds, een vliering in de schuur enz. Ze hebben dat allemaal laten zitten. Toen Moeder eruit ging was er nog geen nieuwe huurder die het zou kunnen overnemen, dus moest alles worden opgeleverd in de originele toestand. Ik ben meerdere weken dagenlang bezig geweest om alles te slopen. Wat een rotzooi kwam daar uit. In de keuken moesten drie of vier lagen vloerbedekking worden verwijderd. Gelukkig hebben oom Lieuwe en, meen ik oom Teade, geholpen om alle troep naar de stort te brengen. Toen alles klaar was heb ik, terug in Eindhoven, geloof ik 24 uur geslapen.
Tenslotte nog, ten overvloede misschien, onze gegevens. Jan Hieminga is geboren op woensdag 8 oktober 1941 om 11.30 uur te Groningen. Trijntje Hieminga is geboren op maandag 2 november 1942 om 20.30 uur te Groningen. Jetze Hieminga is geboren op dinsdag 4 januari 1944 om 23.00 uur te Groningen. Klaaske Hieminga is geboren op zondag (!) 10 februari 1946 om 05.00 uur te Groningen. Waling Tjerk Hieminga is geboren op maandag 28 juli 1947 om 19.15 uur te Scheveningen. Bouwe Geert Hieminga is geboren op maandag 2 januari 1950 om 23.50 uur te Scheveningen. Jitsche Hieminga is geboren op dinsdag 11 december 1952 om 14.25 uur te Scheveningen. Margaretha Bonnie Hieminga is geboren op zaterdag 21 december 1957 om 03.30 uur te Scheveningen.
Wat de tijden betreft, deze werden vroeger vaak afgerond op een heel of half uur. Pas later werden ze nauwkeuriger vermeld, zoals te zien. De geboortetijd van Tineke is bijzonder want op 2 november 1942 om 03.00 uur ging de wintertijd weer in nadat het vanaf 19 mei 1940 doorlopend zomertijd was geweest. De Duitsers hebben in Nederland de zomertijd ingevoerd en zijn in 1940 vergeten deze uit te zetten. De vraag is dus of daarmee is rekening gehouden bij Tineke’s geboorte. Vader was natuurlijk heel precies in dit soort dingen, dus ik ga ervan uit dat het klopt, maar het zou zomaar een uur kunnen schelen. Overigens was haar naam voor de hand liggend want Tante Oma was op 1 november jarig.
De geboorte van Jittie kan ik me nog herinneren, want een nicht van moeder nam ons mee het huis uit, naar de stad, naar de Cineac. Om niet te vroeg weer terug te gaan hebben we de voorstelling van een uur minstens twee, misschien wel drie keer gezien. Het was denk de eerste keer dat ik in een bioscoop was. Ook de geboorte van Marbo weet ik nog goed, want ik werd wakker van een huilgeluidje. Ik dacht dat het de Mamapop van Jittie was die ze eerder voor haar verjaardag had gekregen. Toen keek Vader om de hoek en vertelde dat ik er een zusje bij had. Paul en ik sliepen op de zijkamer boven, naast de grote slaapkamer waar Marbo blijkbaar is geboren. Ik heb nog de data waarop wij zijn uitgeschreven uit de Burgerlijke stand van Den Haag wegens verhuizing of huwelijk. Bij Jan is dat 4 februari 1966, naar Amsterdam. (Jan ging een jaar later naar Canada) Bij Tineke is dat 15 april 1969, huwelijk met K. ‘t Hart. Bij Jetze is dat 13 januari 1964, naar Ah, ik denk Arnhem, bij oom Wiep. Bij Klaske is dat 11 november 1965 naar Nijmegen. Bij Waling is dat 21 september 1967 naar Eindhoven. Bij Paul is dat 10 september (of augustus?) 1972 naar Canada. (Volgens Paul was dat 1973) Bij Jittie is dat 26 september 1978 (naar Engeland?, geen vermelding). Bij Marbo is dat 7 september 1978, huwelijk met P.O.J. Daudey.
Het vertrek van Jan naar Canada weet ik nog heel goed. Op dinsdag 25 juli 1967 trouwden Jetze en Emmie, heel formeel met jacquets en hoge hoeden en een groepsfoto op de trappen voor de Ichtuskerk. Drie dagen later, op mijn verjaardag, vrijdag, hebben we Jan uitgezwaaid op Schiphol. Voor Vader en Moeder was dat best een moeilijk moment.
Toen we terug thuis kwamen, Nellie en Bill waren toen bij ons, hoorde ik dat er telefoon was geweest uit Eindhoven, of ik even terug wilde bellen. Ik werd verzocht me dinsdag 1 augustus te melden in Eindhoven om mijn dienstverband bij Philips te beginnen. Ik heb oom Frank gebeld of ik daar een nachtje kon slapen en ben op mijn brommer (*) met een koffertje met wat spullen daarheen gereden. Na de nodige formaliteiten en een medische keuring kreeg ik een lijstje met adressen waar ik een kamer zou kunnen huren. Ze hadden me een plattegrond van Eindhoven gestuurd, maar die lag in Scheveningen. Na veel zoeken en vragen kwam ik bij een huis, waar de bewoners hun auto aan het inpakken waren om op vakantie te gaan. Ik mocht hun zolderkamer betrekken, maar na terugkomst van vakantie hoorde ik dat ik daar geen weekenden mocht blijven, wat ik wel wilde om een sociaal leven te kunnen opbouwen. Tijdens de zoektocht kwam ik op een adres waar mij werd verteld dat de kamer de volgende maand zou vrijkomen, dus ik daarheen. Daar heb ik een jaar of twee gewoond, totdat ik ook daar geen weekenden meer mocht blijven. Het echtpaar hier was een knappe vrouw en een aardige man, die rijinstructeur was. Bij hem heb ik rijles genomen en in maart 1968 haalde ik, op het nippertje, mijn auto rijbewijs en een maand later dat voor de motor. Daarna kwam ik bij een leuk gezin terecht, vader, moeder, twee dochters en oma. Ik had daar een vrij ruime zolderkamer, waar ik met plezier heb gewoond tot mijn trouwen.
* Mijn eerste brommer was de oude, versleten Sparta van Vader. Hij kocht toen een nieuwe Honda. Ik heb toen het motortje geheel gereviseerd, met de nodige hulp van de fietsenmaker in de Keizerstraat, en er nog jaren plezier van gehad. Mijn kamertje boven lag toen zo vol met onderdelen, gereedschap, olie enz. dat ik een poos bij Paul heb moeten slapen. Later heb ik voor een schappelijke prijs (waarmee Vader heeft geholpen) de Zündapp kunnen overnemen van de buurman op de hoek, een militair. Dat was het summum op brommergebied, ook al was hij bij de jeugd niet populair in Scheveningen, daar moest je een Puch hebben, liefst met hoog stuur. In Eindhoven was dat anders, toen ik hem daar later verkocht kreeg ik er een veelvoud voor van wat ik er voor had betaald. Nog even een anekdote over Klaske, een “zondagskind”. Nog even terug naar Tante Oma, zij is nooit getrouwd geweest. Ze was jaren lang verloofd, maar deze man viel niet op vrouwen. (Is de foto bijna onderaan op deze pagina wellicht Tante Oma in haar jonge jaren met haar verloofde?) Ook tante Sjouk is nooit getrouwd en zorgde voor oom Chris en tante Ko in Boskoop (Waren zij familie?). (Hierover staat intussen meer op de pagina over Tante Oma.) Wat betreft de huisgenote van Tante Oma (in Amsterdam), dat was inderdaad mevrouw Speijer en niet de moeder van tante Trui (tante Frouk) wat ik eerder dacht. (Het lijkt er op dat zowel Minna Spijer-Cohn als Froukje Couperus-de Vries samen met een nicht, Anna de Vries, bij Trijntje de Vries hebben gewoond.) Ik vermoed dat ze naar Amsterdam is verkast zo rond de tijd dat Moeder naar Scheveningen vertrok, ze was dus met pensioen. Ik heb meer dan eens in Amsterdam gelogeerd, samen met Tineke o.a., Baetostraat 5 2 hoog, meen ik, en dan mochten we gaan zwemmen in het “Jan van Galen bad”. Daar hadden ze lekkere drop waarvan ik me smaak nog herinner. Ook weet ik nog dat er eens een lorrenboer door de straat kwam en dat ik toen uit het raam riep “Lorrenjood”. Daarvoor kreeg ik een stevig standje van Tante Oma. Ook zijn we bij een bruiloft geweest van twee stellen, familie van Tante Oma, waarvan ik nog wel foto’s heb gezien (hier staat meer over op de pagina over Tante Oma, dit was familie).
Er was geen bed voor mij en ik sliep dan op twee tegen elkaar aan geschoven fauteuils, in een soort “bakje”. Uiteindelijk is Tante Oma bij ons thuis in de Doornstraat overleden, (op zondag 14 februari 1960) ik meen aan maagkanker? Ze lag in de achterkamer waar ik aan haar bed een knopje had bevestigd waarmee ze kon bellen als het nodig was. Ze is begraven op het kerkhof in Ouwsterhaule en ik ben daar toen bij geweest, wat ik als erg indrukwekkend heb ervaren. Ik hoor soms nog het “De Heer is mijn herder”, wat toen werd gespeeld op het orgel. Dominee de Vries leidde de uitvaart en zijn stem weerklonk over de besneeuwde velden. Later is Beppe Jitsche, overleden 13 november 1970 in Joure, naast haar begraven. Op het kerkhof aldaar zijn ook nog de stenen te zien van hun ouders: Jitze (?) de Vries en Geertje Bos. Intussen heb ik op deze pagina meer staan over Trijntje de Vries, Tante Oma.
Jan noemt een alleenstaande tante in Amsterdam met Joodse onderduikers in huis. Geen idee wie dat zou kunnen zijn, in elk geval niet Tante Oma. Over de oorlog weet ik heel weinig, alleen dat Vader werd gezocht door de politie en dat de handboeien waarmee ze hem wilden meenemen toen op tafel zijn achtergebleven, nadat Tante Oma ze koffie of zoiets heeft aangeboden. Vader is naar de boerderij in Oldeouwer gegaan. Tineke is ook daar ondergebracht omdat ze voluit babbelde tegen iedereen, wat natuurlijk gevaarlijk was omdat ze een “doorgangshuis” hadden voor onderduikers. Uiteindelijk moest ook Moeder weg, mogelijk vanwege het oorlogsgeweld rond de bevrijding, en ze is met Jan en Jetze op de fiets van Groningen naar Oldeouwer gegaan. Daar wachtte Vader haar op met Tineke, die haar niet meer herkende. Vader zei toen “Dat is Tante Pietsje”, wat als grapje was bedoeld, maar denk ik voor Moeder best pijnlijk zal zijn geweest. Nog iets over Pake Jan. Ik heb geen herinneringen aan hem, hoewel hij schijnbaar nog wel een keer bij ons in Scheveningen is geweest Volgens mij is daar een foto van waar hij bij zijn auto staat. Hij was geen gemakkelijk mens, als ik hem op foto’s zie komt hij streng over met zijn zwarte baard en snor. Ik heb nog een snorrenborstelje van hem in een klein etuitje. Er was ook een lakstempel van hem met een fraaie hoofdletter “B”, die is naar Bouwe gegaan. Hij was emotioneel volkomen ontoegankelijk en zeer star in zijn geloof. Dat hij het presteerde om in een dorp van arme, fanatiek socialistische veenarbeiders een Christelijke school te stichten vind ik veelzeggend. Er zijn meer dan eens stenen door de ruiten gegooid. Toen Vader met zijn broers en zussen (november 1990) had geregeld begraven te zullen worden in het graf van zijn ouders zijn we daar eens naar toe gereden. Toen ik vroeg wat “De Knipe” eigenlijk betekent zei hij: een vernauwing in het vaarwater. Ik vond dat zeer symbolisch, want water staat voor mij voor gevoel, emoties, en zowel Pake als Vader kon daar totaal niet mee om gaan. Moeder trouwens ook niet, pas toen ze veel ouder was vertelde ze er wel eens iets over, althans naar mij. Ik heb vaak geprobeerd Vader over zijn gevoel te laten praten. Op zeker moment zei hij “Je moet niet van mij verwachten dat ik over mijn gevoel praat”. Ik dacht: “Nu praat je over je gevoel”, en heb het nooit meer geprobeerd.
Pake Jan was wel bevlogen over muziek en werd bij zijn begrafenis aangeduid als “leider van talloze zangkoren in de omgeving”. Om die koren te kunnen bezoeken had hij een auto (toen al!) Met smalle en vaak onverharde wegen, stel ik me voor, was dat niet zonder risico, en daarom moest Vader soms mee om te helpen met duwen, of aanslingeren, of andere ongemakken die je onderweg kon tegenkomen. Zo is zijn oog op Moeder gevallen, en met name haar “prachtige benen” trokken hem aan. Dat vond oom Gerrit ook, hij zei ooit: “Jouw moeder heeft mooie benen”. Nog even over die auto, er is op 19 november 1932 een Fries kenteken B-18291 uitgegeven aan Jan Hieminga uit Beneden Knijpe. Het is niet bekend wat voor auto hier bij hoorde maar wellicht is deze op bovenstaande foto te zien. Als iemand deze kan identificeren dan hoor ik het graag! Het lijkt een ruime bolide, wat voor die tijd een flinke investering was.
Vader heeft me wel eens laten zien waar zijn vader was opgegroeid, een vruchtbaar maar kaal, guur en niet bepaald vriendelijk landschap. Daarmee zei hij ook wel iets, vond ik. Moet je in zo’n omgeving niet hard worden? Overigens, ook zowel Vader als Moeder konden erg geraakt worden door muziek: Mattheus- of Johannes Passion, Aafje Heynis, kerkliederen en dergelijke. Dat geldt zeker ook voor mij. Zal ik nog even het trouwboekje van Jan en Klaaske op een rijtje zetten? Jan Hieminga is zoon van Wiepke Jan Hieminga en Mintje Bouwes Vellinga. Klaaske van der Laan is dochter van Franke van der Laan en Rinskje Boschker. Jan en Klaaske zijn getrouwd op 22 november 1906. Zie hier voor meer over Jan en zijn gezin en school.
Overigens was Wiepke Jan de eerste Hieminga die geen boer werd maar timmerman. Volgens vader bouwde hij ook wel molens. In een Fries dorpje, ik meen Winsum, heeft hij een protestants kerkje gebouwd (of Wommels? Zie tweede foto hieronder en deze link. Er zitten meerdere J.J. Hieminga's in onze stamboom, het is niet duidelijk welke er op deze pagina opduikt.). Ik ben er wel eens wezen kijken maar het was inmiddels vervangen door een nieuw gebouw. Hij kreeg twee zoons, onze pake Jan en “Oom Bouwe”, vader van o.a. Jan, Truus en Wiep (Arnhem), die meubelmaker was en zijn laatste jaren in Schiedam woonde, waar ik wel eens ben geweest. Hij was een bepaald norse man.
De kinderen van Jan en Klaaske zijn: Rinskje geboren 27 augustus 1907 te Sassenheim, overleden 30 juli 1917 in Knijpe. De eerste Rinskje is jong overleden, waaraan weet ik niet, maar haar grafje is nog lang te zien geweest op het kerkhof van Knijpe met daarop een, kleine, schild- of hartvormige steen. Later is dit graf geruimd. Vader was wel ontroerd hierover, volgens mij. Een notitie op een foto die ik via Claire Veenstra kreeg bood het antwoord: ze had diabetes en hier was in 1917 nog weinig aan te doen helaas. Haar graf was op dezelfde begraafplaats waar zowel Jan en Klaaske als ook Bouwe en Geertje begraven liggen, maar in het blok aan de Oostzijde, regel 3, nummer 6. In januari 1991 is aangegeven dat het graf mocht vervallen. In 1992 is het graf geruimd volgens een notitie bij de diverse papieren. Oom Wiep (Haren) had één dochter die wel bij ons heeft gelogeerd, Tootje, een leuke meid, zijn vrouw was Meintje (In de stamboom heb ik deze dochter als 'Klaske' staan, maar gezien enkele andere namen in de familie verbaast het me niet als hier weer een roepnaam opduikt.). De vrouw van neef Wiep, in Arnhem, heette Zus (Het is mij niet duidelijk welke Wiep dit is... wellicht gaat dit over Wiepke Hieminga en Cornelia Bouwman, een zoon van Bouwe, de broer van Jan Hieminga. Deze Wiep was ook zeer geïnteresseerd in genealogisch onderzoek en heeft met Bouwe Hieminga, Waling's vader, de basis voor deze hele stamboom neergezet.). Oom Frank is overleden na een hersenoperatie in het Elizabeth ziekenhuis in Tilburg, ik denk een tumor? Ik herinner me nog heel goed zijn begrafenis, ik was toen heel boos op God. (Volgens dominee De Vries mocht dat, tot mijn verbazing.)
De tweede Rinskje kenden wij als Tante Tuttie, een verbastering van “zusje” waarmee in Friesland vaak het jongste meisje werd aangeduid. Dat gold ook voor Marbo. Ik meen dat ze is overleden aan borstkanker. Ze was getrouwd met Rikus van der Weij en aan hun dochter Marjan heb ik nog altijd heel speciale herinneringen van vakanties. De benaming Tante Tuttie was wel wat vreemd hier aangezien Rinskje niet de jongste dochter was. Dat was Neeltje, die weer als Tante Netie werd aangeduid. Mag ik nog eens terugkomen op onze naam? In 1813 moest iedereen een achternaam kiezen van Napoleon, daar hebben we onze burgerlijke stand aan te danken. Vaak werden beroepen, plaatsnamen of bestaande bijnamen gekozen. Sommige mensen stamden af van landadel, de grondbezitters, die nog wel eens met een leuke boerendochter de hooiberg in doken. Het vermoeden leeft dat onze voorouder, Ulbe Jans, (of Jan Ulbes?) zo’n ”bastaardzoon” is geweest. Zulke mensen wilden graag de adellijke naam aannemen, maar vele rechtszaken hebben dat verhinderd. Hij wilde zich “Donia” noemen, maar koos later voor Hieminga, wat betekent afkomstig van het heem, of heim, of erf. De naam Hiemstra met dezelfde betekenis komt vaker voor maar onze naam is uniek. Nou ja, uniek... mijn eerste doel toen ik met deze stamboom begon was bewijzen dat deze naam inderdaad uniek is, maar ik ben er achter dat er twee 'takken' zijn welke ik niet aan elkaar kan knopen. De andere tak start bij een Wiebe Jans Hieminga uit Arum, Wonseradeel. Deze tak loopt naar beneden o.a. richting een aantal families die naar Michigan, USA, zijn getrokken en waar John J. Hieminga (of Hiemenga) in opduikt, waar een gebouw naar is vernoemd op het Calvin College, waar hij President is geweest. Aangezien het gebied waar zowel deze Wiebe Jans vandaan komt alsook de Ulbe Jans waar onze tak zijn naam aan dankt hetzelfde is zou het logisch zijn als dit familieleden zijn, maar dat valt met de informatie die ik heb niet te bevestigen helaas. Ook al hebben ze hetzelfde patroniem. In zijn woongebied, ruwweg tussen Bolsward, Sneek en Franeker was de familie Donia de baas en hun adellijk woonhuizen heetten “Doniastate”. Op de kaart van Friesland heb ik er drie gevonden. Eén boven Bolsward, één bij Spannum (geboortedorp Pake Jan) en zelfs één bij Sint Nicolaasga, geen arme jongens dus. Ulbe had een, denk ik, pacht boerderij maar heeft die kunnen kopen, samen met zijn schoonmoeder (zijn vrouw was meen ik overleden). Dat was volgens mij in Hijdaard en vader is er wel eens geweest met zijn neef Wiep en er foto’s van gemaakt. Zelf heb ik het helaas niet kunnen vinden. Hij noemde het “Huize Donia”, wat nog op een gevelsteen te zien was. Bij deze de foto's uit 1982 van Bouwe en Wiepke Hieminga. De bijschriften bij onderstaande foto's zijn in 1982 door Wiep geschreven.
Nog wat toevoegingen bij de onderschriften bij bovenstaande foto's. Deze tekst hoort eigenlijk nog bij de laatste twee foto's: "Zoals je weet worden er op grote boerderijen tegenwoordig geen melkbussen meer gebruikt. De ouwe bussen gaan voor goed geld van de hand of worden gestolen (b.v. in de Betuwe) waar vaak niet al te grote bedrijven zitten die nog met bussen werken. Boer Rienstra heeft een stuk of wat van deze bussen laten schilderen. Op de ene kant huize Donia en op de andere kant het Wapen van Donia. Dit wapen is feitelijk 'vogelvrij' om het zo maar eens te noemen, al zal het wel in andere familiewapens verwerkt zijn. Uit mijn onderzoekingen is gebleken dat reeds ver voor 1811 de adelijke familie Donia afstand gedaan heeft van deze naam en de familienaam Haringxma heeft aangenomen. Waarom is niet precies bekend. Er zijn nog wel Donia's maar dat zijn gewoon mensen die de naam Donia in 1811 aangenomen hebben, maar niets met de familie Donia of de Friese landadel te maken hebben. Naar boer Rienstra mij vertelde is het wapen te zien in de kerk van Oosterend en heeft boer R. het gewoon op de melkbussen laten schilderen." De boerderij op deze foto's bestaan nog en is gewoon op Google maps terug te vinden op Doniadyk 2, Hidaard. Tot zover het relaas van Wiep, nu weer terug naar Waling's verhaal. Ik heb wel eens gedacht of we er via DNA onderzoek achter zouden kunnen komen of we inderdaad adellijk bloed in ons dragen, maar dat lijkt me weinig kansrijk. Ik zou het bijna vergeten, maar moeten we het ook niet eens hebben over de kerk, zowel als instituut als ook als gebouw, die een groot stempel drukte op ons bestaan. Wanneer er nieuwe mensen in ons leven kwamen waren er twee criteria: was hij of zij “van de kerk” en was hij of zij “goed geweest in de oorlog”. De rest leek er nauwelijks toe te doen. Wij kerkten in de Prins Willem kerk, op de Hoge Prins Willemstraat. Vlak erbij was er in de Jurriaan Kokstraat de Bethelkerk. In onze kerk hadden we onze vaste plek, een bank op de gaanderij, rechts van de preekstoel. Het orgel werd bespeeld door Sander van Marion, en was soms wat amechtig, met astmatische pieptonen. Sander is niet lang geleden met pensioen gegaan. (Het is niet deze Sander op de foto hieronder! Klik op de foto voor deze puzzel.)
Het zal rond 1969/-70 zijn geweest dat de Bethelkerk is afgebroken en vervangen door een nieuw kerkgebouw. Daarna is ook de Prins Willemkerk afgebroken. Bij de opening van de nieuwe Bethelkerk hebben Marianne en ik met onze auto diverse oudere Scheveningers van huis gehaald om er bij te kunnen zijn. Bijzonder was het orgel, links stond het opgeknapte orgel van de Bethelkerk en rechts een tweede, kleiner orgel, zodat er in een soort stereo kon worden gespeeld. Ik herinner me dominee van der Meulen, nogal theatraal in zijn optreden en ingewikkeld in zijn preken, vond ik. (Ik luisterde over het algemeen best wel aandachtig.) Daarna kwam ds. Holtrop, een nogal traditioneel een kleurloos figuur volgens mij. Ik kreeg van hem catechisatie. Later kwam ds. De Vries, een totaal ander persoon, uiterst bevlogen en met een frisse kijk op alles. Voor velen een verademing, behalve voor sommige conservatieve Scheveningers. Hij heeft onze trouwdienst in Rotterdam geleid, met Frits Vroom op het orgel. Traditie was om met Kerst en Pasen met een aantal mensen op straat liederen te zingen bij een aantal zorg- of rusthuizen in de wijk. Latere toevoeging: Mijn verhaal over de dominees klopt misschien niet. Marbo herinnerde zich een ander persoon, bij wie ze “kattenbak” (catechismus) had. De naam wist ze niet meer. Ds. Holtrop woonde wel in onze wijk, maar was mogelijk niet onze predikant. Zijn naam was wel bekend. Oom Gerrit heette Holtrop, evenals de vrouw van oom Sieberen, Aukje Holtrop, en zelfs was ooit een Holtrop de baas van de Nederlandse Bank.
Tenslotte lijkt het me wel leuk om herinneringen aan ons leven in met name de Doornstraaat op te halen. Hoe ons dagelijks gezinsleven er zoal uitzag. Ik begin met onze boodschappen. Zaken als koffie, thee, boter e.d. kwamen van “De Gruyter” op de Frederik Hendriklaan, “De Fred”. De Gruyter had het “snoepje van de week” wat wij graag scoorden. Als er een aanbieding was van koffie, boter, suiker, thee enz. kreeg je de grootste tas mee en sjouwde je een breuk met je boodschappen. Op de Fred was een grote verscheidenheid aan winkels, vrijwel alles kon je er kopen. Ik denk dat we voor kleding naar de stad moesten ( C&A of zo) maar voor de rest hoefde je niet ver van huis. Boeken leenden we in de “Bieb” aan de eind van de Badhuisstraat. In die straat zat “de Lens” waar we onze brillen vandaan haalden. Op de Westduinweg zat een visboer, waar vader vaak in het weekend een gerookte makreel haalde. Evenals een banketbakker waar Minnie heeft gewerkt en vaak thuis kwam met een roze cake voor bij de koffie op zondag. Eerder bakten Moeder of Tineke vaak een cake of appeltaart hiervoor. Er was een drogist, “De Kwaadsteniet”, bij Jamin kon je snoep en ijs kopen, voor fietsspullen was er Van der Gugten (?) voor boeken “van Praag”, een woninginrichting, “La Goût Artistique”, waar Klaske heeft gewerkt, enz. enz. Toen ik er met Jan nog eens langs liep was van dat gevarieerde aanbod niks meer over. In die tijd woonden veel winkeliers boven de zaak en werden vaak na sluitingstijd nog door klanten lastig gevallen, iets wat ik ook wel heb gedaan. Dan waren ze niet blij maar “nee” verkopen deden ze niet. Ook moesten we regelmatig naar de markt, soms met de tram, vaak met de fiets om van alles in te slaan, liefst tegen sluitingstijd, dan was het goedkoper. Het ging denk ik vooral om groenten en fruit. Ook hebben sommigen van ons, waaronder ik, een schooltuintje gehad bij het Lindoduin. Daar werden sterrenkers, radijsjes, spinazie, boerenkool e.d. geoogst wat een welkome aanvulling was op onze voeding. Wij hadden toen een rode step met een rond stuur waarop je een tas of mand met groenten kon vervoeren. Ik weet eigenlijk niet waar we onze aardappelen vandaan haalden, dat moeten er toch heel wat zijn geweest. De bakker en de melkboer kwamen aan de deur, waarbij het heel belangrijk was of onze vriend(innet)jes bij ons aten op zondag of wij bij hen. Soms zaten we met een handjevol aan tafel, soms met wel 16 mensen of zo. Dat moesten we van te voren doorgeven zodat Moeder wist wat ze bij de bakker moest bestellen, of van de melkboer kopen. Melk kocht je vaak in flessen, maar soms ook los in een pannetje. Zonder koelkast wilde dat nog wel eens zuur worden, dan maakte Moeder daar “hangop” van. De melkboer kwam van “De Sierkan” en heette Nolles, en op zaterdag keerde hij zijn tas met wisselgeld om zodat Moeder zoveel mogelijk stuivers kocht. Dat was voor de collectes in de kerk. Met uiteindelijk tien man, twee diensten met elk drie collectes was dat hard nodig. Als het eraf kon zat er nog wel eens een dubbeltje tussen maar niet vaak. ‘s Maandags op school kreeg je dan nog een busje voor de zending onder je neus, en dan moest ik wel eens passen. Juffrouw Wassenaar (wat was dat een vreselijke taart) heeft me ooit strafwerk gegeven omdat ik mijn zendingsgeld versnoept zou hebben. Toen ik dat thuis vertelde heeft Moeder haar gebeld en werd het strafwerk kwijtgescholden. Dat was de enige keer die ik me herinner dat Moeder zoiets deed. Meestal als je klaagde over school zou je het er wel naar hebben gemaakt. Op de Fred was ook een schoenenwinkel, waar we vaak kwamen voor schoenreparaties. Pas als er echt niets meer te repareren viel werden er nieuwe gekocht. Aan het eind van de Doornstraat zaten groenteboer De Niet en kruidenier Koppenol, maar die waren niet van de kerk dus daar werd zelden gekocht. Groenteboer Konijnendijk zat wel braaf voorin de kerk dus daar werd wel gekocht, ook al kreeg je soms inferieure kwaliteit. Bij De Niet heeft zowel Jetze als ik vaak een centje bijverdiend met het rondbrengen van bestellingen naar de vele zorg- en rusthuizen in het Statenkwartier. Met een transportfiets, ook in de winter door een dikke laag sneeuw deden we dat. Jan werkte een tijd lang voor wijnhandel Richters in de Keizerstraat. Ook heb ik de melkboer vaak geholpen, en zeker rond de kerst als het extra druk was, was hij daar blij mee en heb ik wel eens een “hele gulden!” gekregen. Een andere bron van inkomsten was het ophalen van oude kranten en die verkopen aan de lorrenboer in de Marcelisstraat. Lorren brachten veel meer op, maar vaak had Moeder dat geld zelf nodig, slechts een enkele keer mocht ik het houden. Ook waren er de nodige vakantiebaantjes, zoals voor mij bakkerij Steenbeek. Met het verdiende geld heb ik toen een fiets gekocht. Of een bedrijf in witgoed, kachels enz. waar ik veel heb moeten sjouwen en ooit door mijn rug ben gegaan. Dat was in mijn eerste jaar op de HTS. We hadden allemaal wel zulke baantjes, want het begrip “zakgeld” kwam bij ons niet of nauwelijks voor. Na mijn HTS examen heb ik vader gevraagd me geld te lenen om een vakantiereis te kunnen maken. Nee, ik moest maar gaan werken. Toen heb ik nog een halve dag bollen gepeld voor een paar rotcenten Ik heb daarna nog twee weken gelogeerd bij Reinier en Marjan in Nijmegen, waarna ik in Eindhoven werd aangenomen voor het riante jaarsalaris van Fl. 9600,-- bruto, inclusief dertiende maand. Dat werd aan het eind van de maand contant uitbetaald in een loonzakje, pas jaren later ging dat via een bankrekening. Ik heb geen idee welke Reinier en Marjan dit zijn geweest. De dochter van Tante Tuttie en Rikus v/d Weij is Marjan, maar of hier een Reinier bij hoort/hoorde? Dat heb ik in ieder geval niet in de stamboom staan. Het kunnen natuurlijk ook gewoon vrienden van de familie zijn geweest.
Tot zover even dit project voor nu, er zijn nog meer verhalen die ik toe kan voegen en nog veel meer foto's maar ik houd hier even een kleine pauze en zet dit vast online. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||